Hendrik Vlietstra

Hendrikus Vlietstra (1912-1999) publiceerde in 1983 in de Hoogeveensche Courant dagboekgedeelten uit de oorlogstijd. Een samenvatting van deze feuilletons verscheen in 1987 in boekvorm onder de titel “Het huus op de wieke”. Hij verhaalt hierin zijn belevenissen en die van zijn ouderlijk gezin, zijn buren en zijn vrienden in Hollandscheveld tijdens de Tweede Wereldoorlog, hoe ook zij de bezettingssfeer niet kunnen ontlopen en worden geconfronteerd met de Duitse overheersing.

 

Hendrikus weigerde samen met zijn broers Henk en Piet te werken voor de O.T. en de familie Vlietstra bood onderdak aan drie Joodse onderduikers. Het hele gezin werd in november 1944 opgepakt en weggevoerd. De Joodse onderduikers worden ondanks een grondige huiszoeking gelukkig niet ontdekt en Hendrik en zijn broers worden gestraft wegens werkweigering. Na een verblijf in het Huis van Bewaring te Assen worden ze op 16 november 1944  overgebracht naar strafkamp Port Natal. Hendrikus schrijft over zijn aankomst in Port Natal het volgende:

 

Met een groep van 25 man vertrekken we onder zwaar geleide. We worden gebracht naar Port Natal aan de Beilerstraat, waarin voorheen psychiatrische patienten werden verpleegd. Boven moeten we in een lange rij op de gang wachten voor een kennismaking met commandant Sepp. Het duurt niet lang, of hij komt, samen met een SS-wacht. De commandant is niet in een beste bui. Hij maakt heel onvriendelijk ons uit voor terroristen en saboteurs. Broer Henk kan een zenuwlachje niet onderdrukken. Sepp voelt dit als een persoonlijke belediging en koelt zijn woede, door ons allemaal een paar rake klappen in het gezicht te geven. Na deze kennismaking mogen we naar een grote droogzolder. Dat is onze woon- en slaapruimte. Op de vloer ligt een dikke laag roggestro. De looppaden zijn vrij. Stoelen, tafels en banken ontbreken. Behalve onze groep van 25 man verblijven er ook honderd Hagenaars."

 

De hygiënische omstandigheden in Port Natal zijn bar slecht. In een waslokaal bestemd voor 20 man, moeten ze zich met 130 man in korte tijd opfrissen. Er is maar 1 toilet beschikbaar, waar altijd een lange rij voor staat. De volgende dag moeten ze in colonne naar het werk. Vooraan de groep gaat commandant Sepp. Zijn helpers Jacob en Willie, twee gewezen SS’ers, lopen naast de colonne om alles goed in de gaten te houden. Achter de colonne lopen enkele Duitse SA-mannen. Er moet gewerkt worden aan een tankgracht. De broers zijn het boerenarbeid gewend en hebben weinig moeite met het graafwerk. De Hagenaars hebben er aanzienlijk meer moeite mee. Van zondagsrust is er geen sprake, er moet dan gewoon gewerkt worden. Op 17 december verlaten de Hagenaars Assen per trein en worden waarschijnlijk naar Duitsland getransporteerd. Er komen ook weer nieuwe groepen binnen, uit de gevangenissen van Heerenveen en Leeuwarden.

 

Op eerste kerstdag krijgen ze van plaatsvervangend commandant Oskar toestemming om een kerkdienst bij te wonen. Op tweede kerstdag komt de vader van Hendrikus en Piet op bezoek. Het was een hele opgaaf voor  de 73-jarige om over besneeuwde wegen de 35 kilometer te fietsen zonder luchtbanden. De voedselvoorziening wordt vooral na de jaarwisseling steeds minder en slechter. Hendrikus schrijft  dat ze op een middag bedorven kool te eten krijgen en dat er daardoor veel mannen maagkramp en diarree krijgen. Een kleine groep moet de volgende morgen binnen blijven en worden gecontroleerd door commandant Sepp. Bij het ziekenappel wordt geadviseerd hem niet recht in de ogen te kijken omdat je volgens hem dan niet ziek genoeg bent. De groep krijgt een flinke strafpreek, maar mag gelukkig binnen blijven. Het komt vaak voor dat ernstig zieken gewoon aan het werk worden gestuurd.

 

Een geliefde straf van de bewakers was het laten maken van kniebuigingen. Vaak zonder enige aanleiding werden gevangenen verplicht tot het maken van een flink aantal kniebuigingen, soms tot wel 200 keer, met de schop in de vooruitgestoken armen. Het is voorgekomen dat iemand na het maken van 200 kniebuigingen binnen een half uur er weer 200 moest maken. Na 180 keer stond zijn mond vol bloed en mocht hij ophouden. Hij moest daarna nog wel 25 keer roepen:”ich bin ein faules Schwein”. Deze straffen waren meer regel dan uitzondering. Commandant Sepp was een echte sadist. Na een ontsnapping liet hij een groep van 30 man opsluiten in de “strafbunker”. Met veel moeite worden de mannen in de kleine ruimte geperst. Na een hele poos merkt een andere commandant op dat de gevangenen moeten worden bevrijd, omdat ze anders zullen stikken. Sepp antwoordt:”Het kan mij niet schelen, ook al sterven ze allemaal”. Voor de ex-mijnwerker telt het leven van Nederlandse gevangenen niet, aldus Vlietstra.  De andere commandant maakt op eigen initiatief de deur open. Enkele mannen zijn dan al bewusteloos. Hoewel op het nippertje, komen ze er toch allemaal nog goed doorheen. De geestelijke schade zal altijd blijven.

 

Hendrikus wijdt een heel hoofdstuk aan de “Moeder van Port Satan”, mevrouw Hadderingh. Zij woonde met haar man en gezin dichtbij Port Natal  en als deze is gevorderd voor de strafploeg, zetten ze zich beide in voor de gevangenen. 

Als de winter aanbreekt wordt het werken een stuk zwaarder. De klompen en schoenen zijn veelal versleten waardoor sommigen bevroren ledematen krijgen. Het is bijna onmogelijk om ‘s avonds de natte kleren weer droog te krijgen. De strafploeg wordt steeds verder uitgebreid, tot zo’n 350 man. Er ontstaat zelfs een tekort aan gereedschap. Het regime wordt ook steeds strenger en mishandelingen zijn dan ook aan de orde van de dag. Het lukt een aantal toch om te ontsnappen, wat vaak voor de achterblijvers extra strafmaatregelen oplevert. De zes mannen van kamer 106, waar Hendrikus verblijft, spreken dan ook af dat ze nooit individueel zullen vluchten, alleen als groep.

 

Op de avond van 24 februari krijgt Hendrikus te horen dat ze naar de vrije ploeg worden overgeplaatst. De volgende dag verlaten ze Port Natal en worden ondergebracht in een school. Na enkele weken kunnen de mannen die werkzaam zijn in de voedselvoorziening een vrijstelling krijgen en op 4 maart breekt voor de ploeg van Hendrikus de laatste werkdag aan. Na een flinke wandeltocht bereiken ze na enkele dagen hun eindbestemming, Hollandscheveld.

 

Het Huus op de Wieke is een goed geschreven boek waarin niet alleen over Port Natal wordt verteld maar ook over de belevenissen van vrienden en dorpsgenoten van Hendrikus. Het boek is uitgegeven door Stichting Het Drentse Boek en is nog via Marktplaats en in tweedehands boekenzaken te verkrijgen.

 

TREFWOORDEN

GERELATEERDE ARTIKELEN

Categorieën